Uitspraak
17.1493 ZW
11 januari 2017, 16/1691 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als postsorteerder toen hij zich ziek meldde met rugklachten. Na een WIA-beoordeling werd zijn uitkering geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Later hervatte hij werk als productiemedewerker, maar werd opnieuw ziek. Het UWV stelde dat dit werk ongeschikt was en weigerde ziekengeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de maatstaf arbeid niet de laatst verrichte functie was, maar de eerder geselecteerde functies bij de WIA-beoordeling. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat het vervallen van artikel 44 ZW Pro een andere maatstaf vereist.
De Raad overwoog dat de maatstaf arbeid in de ZW de feitelijk laatst verrichte arbeid is, ook als die ongeschikt blijkt. De wetgever heeft met het vervallen van artikel 44 ZW Pro het uitgangspunt gewijzigd, waarbij de nadruk ligt op de mogelijkheden van de werknemer en rechtszekerheid. Daarom moet het besluit van het UWV worden vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt vernietigd, waarbij de laatst verrichte arbeid als maatstaf geldt.