ECLI:NL:CRVB:2020:806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld na eerstejaars Ziektewetbeoordeling
Appellant, laatst werkzaam als sloper/kraanmachinist, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars ZW-beoordeling oordeelde het UWV dat appellant met inachtneming van beperkingen nog 76,53% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd.
Appellant voerde in beroep en hoger beroep aan dat zijn psychische klachten en medicatie een grotere beperking veroorzaken dan vastgesteld, met name op aandacht, geheugen en handelingstempo. Het UWV en de rechtbank oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat neurologische afwijkingen niet zijn vastgesteld en dat de beperkingen in cognitieve functies niet aanwezig zijn. Ook is rekening gehouden met medicatie-effecten. Het UWV heeft voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch passend zijn.
De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Er is geen aanleiding voor een andere beoordeling of toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.