ECLI:NL:CRVB:2020:821
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toename arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig doktersassistente, kreeg aanvankelijk een WIA-uitkering toegekend die later werd beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na melding van verslechtering in 2016 weigerde het UWV opnieuw een uitkering toe te kennen, omdat geen toename van beperkingen werd vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de klachten niet medisch onderbouwd waren als toegenomen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV geen zorgvuldig onderzoek had verricht en dat een deskundige benoemd had moeten worden vanwege onduidelijkheden in de medische stukken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek door verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig was, dat alle klachten waren meegewogen en dat er geen aanleiding was voor het benoemen van een deskundige.
De Raad bevestigde dat het recht op WIA-uitkering herleeft bij toename van beperkingen binnen vijf jaar na weigering, mits voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak. Dit was hier niet het geval. De aangevoerde gronden waren herhalingen van eerdere bezwaren en boden geen aanleiding het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.