ECLI:NL:CRVB:2020:837
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijke toewijzing hoger beroep tegen UWV
Appellant betwistte de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV en stelde dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Het UWV had aanvankelijk een volledige arbeidsongeschiktheid vastgesteld, maar na bezwaar werd dit teruggebracht naar 54,66%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en stelde dat sprake was van reformatio in peius.
De Raad oordeelde dat het UWV met het tweede bestreden besluit het eerste niet langer handhaafde, waardoor het eerste besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd. De Raad concludeerde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt van volledige arbeidsongeschiktheid niet kon volgen, mede omdat appellant geen aanvullende medische gegevens had verstrekt ter onderbouwing van zijn stelling.
De functionele mogelijkhedenlijst uit 2013 bleef ongewijzigd en er was geen aanleiding voor een arbeidskundige beoordeling. Het beroep tegen het tweede bestreden besluit werd daarom ongegrond verklaard. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en moest het betaalde griffierecht aan appellant vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 25 februari 2016 wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het besluit van 27 september 2019 wordt ongegrond verklaard.