ECLI:NL:CRVB:2020:84
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA- en Ziektewetuitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig schoonmaker, meldde zich ziek in oktober 2014 en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na medische en arbeidskundige beoordelingen stelde het Uwv vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd. Tevens werd een aanvraag voor een WIA-uitkering afgewezen omdat appellant volgens de onderzoeken geen arbeidsongeschiktheid had.
Appellant voerde aan dat zijn klachten niet juist waren beoordeeld en dat hij de geselecteerde functies niet kon verrichten. De rechtbank verwierp deze beroepen en stelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en de arbeidskundige onderbouwing overtuigend was. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel en bevestigde dat er geen aanwijzingen waren voor voortdurende oogproblematiek die beperkingen zou rechtvaardigen.
De Raad concludeerde dat de vastgestelde belastbaarheid juist was en dat de aangevallen uitspraken terecht waren. Er werd geen aanleiding gezien om de besluiten van het Uwv te vernietigen. De proceskosten werden niet toegewezen en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 15 januari 2020.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA- en Ziektewetuitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.