Appellant maakte bezwaar tegen een rekening van het CJIB betreffende bestuursrechtelijke premies over juli, oktober en november 2015. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, hetgeen appellant in hoger beroep aanvocht. De Raad constateerde dat niet duidelijk was tegen welk besluit het bezwaar was gericht, mede doordat appellant het besluit niet aanleverde en CAK dit ook niet kon overleggen.
Het beroep op een dwangsom wegens te late beslissing faalde omdat geen beschikking over een dwangsom was genomen en de redelijke termijn niet was overschreden. Wel werd vastgesteld dat CAK ten onrechte geen hoorzitting had gehouden, maar dit werd gepasseerd omdat appellant niet benadeeld was. Het verzoek om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd eveneens afgewezen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Wel werd bepaald dat CAK het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt. Het hoger beroep werd daarmee ongegrond verklaard.