ECLI:NL:CRVB:2020:901
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaars beoordeling wegens verdiencapaciteit
Appellante was tot januari 2016 werkzaam als activiteitenbegeleider en meldde zich in juni 2016 ziek met psychische klachten en diabetes mellitus. Na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) in april 2017 stelde een bedrijfsarts beperkingen vast en een arbeidsdeskundige selecteerde functies waarmee appellante nog 79,65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering per juli 2017.
Appellante maakte bezwaar en het UWV handhaafde het besluit, waarbij een arbeidsdeskundige een functie verviel wegens storingen en onderbrekingen, waardoor de verdiencapaciteit op 70,89% werd vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld, ook rekening houdend met PTSS-klachten en EMDR-therapie die na de datum in geding was gestart.
In hoger beroep voerde appellante aan dat meer beperkingen moesten worden aangenomen en dat de rechtbank ten onrechte haar EMDR-behandeling niet had meegewogen. Zij verzocht ook om een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig medisch onderzoek had verricht, dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat de behandeling pas na de datum in geding was begonnen, waardoor dit geen invloed had op de beoordeling. De Raad wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af en bevestigde dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de ZW-uitkering terecht was beëindigd omdat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.