ECLI:NL:CRVB:2020:911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na 18e verjaardag jongste kind
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), die werd beëindigd per 1 september 2012 omdat haar jongste kind 18 jaar werd. Appellante maakte geen bezwaar tegen dit besluit. Later meldde een begeleider psychische problemen bij appellante, waarop de Sociale verzekeringsbank (Svb) het UWV verzocht haar arbeidsongeschiktheid op de peildatum te beoordelen.
Een verzekeringsarts stelde vast dat appellante op 25 augustus 2012 een functionele mogelijkhedenlijst (FML) had met beperkingen, maar dat haar verlies aan verdienvermogen slechts 18,75% bedroeg, wat onvoldoende is voor een nabestaandenuitkering (minimaal 45%). De Svb weigerde daarom de uitkering toe te kennen, wat door de rechtbank en vervolgens door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar lichamelijke klachten, waaronder carpaal tunnelsyndroom, en psychische beperkingen onderschat waren, en dat medicijngebruik haar belastbaarheid verder beperkte. De Raad oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, de beperkingen adequaat waren beoordeeld en dat de aangeleverde medische gegevens geen aanleiding gaven tot een ander oordeel.
De Raad concludeerde dat appellante op de datum in kwestie niet ten minste 45% arbeidsongeschikt was in de zin van artikel 11 ANW Pro, waardoor haar recht op nabestaandenuitkering terecht werd geweigerd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na haar 18e verjaardag.