ECLI:NL:CRVB:2020:974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens verdiencapaciteit boven 65% en weigering WIA-uitkering
Appellant was ziek gemeld sinds oktober 2013 en ontving een Ziektewetuitkering. Na een herbeoordeling in 2015 concludeerde het UWV dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna de ZW-uitkering werd beëindigd. Appellant vroeg vervolgens een WIA-uitkering aan, die werd geweigerd omdat hij niet de vereiste wachttijd van 104 weken had doorlopen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn medische toestand niet was verbeterd, met name vanwege een hernia en aanhoudende pijnklachten. Hij verzocht ook om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde echter dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd, waarbij rekening was gehouden met alle medische gegevens, inclusief psychische klachten.
De Raad stelde vast dat de medische beoordeling en de vaststelling van de verdiencapaciteit van 95,9% juist waren. De functies waarop de berekening was gebaseerd, waren medisch geschikt voor appellant. Omdat appellant de wachttijd voor de WIA-uitkering niet had voltooid, was de weigering van deze uitkering terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd en de WIA-uitkering terecht geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en niet doorlopen wachttijd.