ECLI:NL:CRVB:2021:1001
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakmedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan na langdurige ziekte met fysieke en psychische klachten. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen correct waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar beperkingen, onder meer omdat zij een scootmobiel en gehandicaptenparkeerkaart had ontvangen en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen. Zij stelde ook dat de geselecteerde functies niet geschikt waren en vroeg om een onafhankelijk deskundigenonderzoek.
De Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had gedaan, waarbij ook recente medische gegevens waren betrokken. De FML van 2018 bevatte meer beperkingen dan de eerdere lijst uit 2014, onder andere voor psychische klachten. De door appellante overgelegde gemeentelijke voorzieningen en latere medische stukken waren niet relevant voor de datum van beoordeling en boden onvoldoende medische onderbouwing.
De Raad zag geen reden voor een aanvullend deskundigenonderzoek en bevestigde dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.