ECLI:NL:CRVB:2021:1022
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand ondanks erfenis en werkervaringsbaan
Appellante ontving vanaf 2010 bijstand en was in de jaren 2015-2018 werkzaam via werkervaringsbanen en later een deeltijdarbeidsovereenkomst. Na ontvangst van een erfenis in maart 2018 blokkeerde het college de bijstand en trok deze in. Vervolgens werd een bedrag van €8.886,25 teruggevorderd over de periode 26 maart 2017 tot en met 31 januari 2018.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze terugvordering ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij in de betreffende periodes had gewerkt in een werkervaringsbaan en dat de bijstand als fictief loon moet worden beschouwd, waardoor terugvordering onaanvaardbaar is. Ook stelde zij dat het instrument werkervaringsbaan onjuist was toegepast.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot terugvordering en dat dringende redenen om daarvan af te zien niet aannemelijk waren gemaakt. De bijstand was verleend vanwege bijstandsbehoefte zonder tegenprestatie, en het werk diende om zelfstandigheid te bevorderen. De stelling dat bijstand fictief loon is, werd verworpen. Het beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstandskosten en wijst het hoger beroep af.