ECLI:NL:RBMNE:2021:3807
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht
Eiseres ontvangt sinds 2017 bijstand en kreeg haar uitkering per 1 januari 2019 verlaagd omdat haar moeder vanaf dat moment de huur betaalde, waardoor zij geen woonlasten had. Tevens werd de bijstand aangepast vanwege de huurtoeslag die zij vrij kon besteden. Daarnaast werd de uitkering herzien en teruggevorderd over de periode van november 2017 tot januari 2020 wegens het niet melden van ontvangen giften, wat een schending van de inlichtingenplicht opleverde.
Eiseres betoogde dat zij onvoldoende middelen overhield om in haar noodzakelijke kosten te voorzien en dat zij niet bewust fraudeerde. Zij stelde dat de gevolgen van terugvordering onevenredig zijn gezien haar psychische klachten en sociale situatie. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende onderzoek had gedaan naar haar financiële situatie en dat de verlaging van de bijstand terecht was omdat zij geen woonlasten had en de huurtoeslag vrij kon besteden.
De rechtbank stelde vast dat eiseres op meerdere momenten was gewezen op haar inlichtingenplicht en dat het niet melden van giften terecht werd aangemerkt als schending van deze plicht. De terugvordering werd als evenredig beoordeeld, omdat bijstand een sluitstukfunctie heeft en eiseres zelf verantwoordelijk is voor haar kosten van bestaan. Ook de stelling dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen zou hebben, werd verworpen omdat hiervoor geen dringende redenen waren aangetoond.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de intrekking en terugvordering van haar bijstandsuitkering is ongegrond verklaard.