Appellante was sinds oktober 2011 werkzaam bij belanghebbende en meldde zich ziek in december 2012. Het UWV herrolde in 2014 een eerdere hersteldverklaring en achtte appellante ongeschikt voor haar maatstaf arbeid vanaf oktober 2013. Belanghebbende, als eigenrisicodrager, verzocht in oktober 2016 om een beslissing over de toekenning van de Ziektewet-uitkering vanaf de ziekmelding in 2012 en de toerekening daarvan.
Het UWV wees het verzoek af wegens overschrijding van een redelijke termijn en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit en oordeelde dat het verzoek inhoudelijk had moeten worden behandeld, mede omdat de rechtszekerheid van appellante niet in het geding was en het belang van het UWV niet werd geschaad.
In hoger beroep stelde appellante dat belanghebbende haar ZW-rechten ondermijnde en dat het verzoek eerder had kunnen worden gedaan. Het UWV betoogde dat de redelijke termijn al in 2014 begon te lopen en dat het verzoek te laat was ingediend.
De Raad oordeelde anders dan de rechtbank en stelde dat het verzoek terecht was afgewezen wegens overschrijding van de redelijke termijn, gelet op eerdere signalen en rapporten die al in 2013 en 2014 duidelijk maakten dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ter discussie stond. Het hoger beroep van het UWV en appellante werd gegrond verklaard, het eerdere vonnis vernietigd en het beroep tegen het UWV-besluit ongegrond verklaard.