Uitspraak
18.124 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.575,-.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een Bulgaarse EU-onderdaan, vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet kort na zijn vestiging in Nederland. Het college wees de aanvraag af omdat appellant binnen de eerste drie maanden van zijn rechtmatig verblijf in Nederland bijstand niet kon worden toegekend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander volgens artikel 11 lid 2 van Pro de Participatiewet in samenhang met de EU-richtlijn 2004/38/EG.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen. De Raad stelde vast dat artikel 16 lid 2 van Pro de Participatiewet van toepassing is, waardoor bijstand op grond van zeer dringende redenen niet kan worden verleend aan appellant. Het college en de rechtbank hadden ten onrechte artikel 16 lid 1 toegepast Pro, maar dit gebrek werd gepasseerd op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant en bevestigde de eerdere uitspraak met verbetering van de gronden. Daarmee is het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.