Uitspraak
21.2503 AKW
21.3340 AKW
- bevestigt de aangevallen uitspraken;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, met Slowaakse nationaliteit en woonachtig in Nederland en Slowakije, ontving kinderbijslag voor zijn dochters die in Slowakije wonen. Na beëindiging van zijn dienstverband in juni 2019 verbleef hij tijdelijk in Slowakije voor ziekte en herstel. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag de kinderbijslag over de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 januari 2020, omdat appellant in die periode niet verzekerd was voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen de herziening en de toekenning vanaf februari 2020 ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij recht had op kinderbijslag vanaf 1 januari 2020 en dat zijn woonplaats Nederland was. De Raad oordeelde dat appellant gedurende de tussenliggende periode niet onder de Nederlandse wetgeving viel, omdat zijn uitzendovereenkomst was beëindigd en hij zijn normale woonplaats in Slowakije had.
De Raad baseerde dit oordeel op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de toepasselijke verordeningen (Vo 883/2004 en Vo 987/2009). De Raad concludeerde dat de Nederlandse wetgeving niet van toepassing was op appellant in de tussenliggende periode, waardoor de herziening van de kinderbijslag terecht was. Tevens wees de Raad het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de procedure binnen vier jaar was afgerond.
Uitkomst: De herziening van de kinderbijslag over 1 juli 2019 tot 31 januari 2020 wordt bevestigd en kinderbijslag wordt toegekend vanaf februari 2020; verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.