In deze zaak staat vast dat het UWV aansprakelijk is voor de schade die verzoekster als werkgever heeft geleden door het onrechtmatige besluit van 12 januari 2017, waarbij een loonsanctie werd opgelegd. Verzoekster heeft schadevergoeding gevorderd van €22.274,06, vermeerderd met wettelijke rente, welke het UWV niet heeft betwist.
De Centrale Raad van Beroep heeft in een eerdere uitspraak van 5 juli 2019 het loonsanctiebesluit vernietigd wegens gebrek aan deugdelijke motivering. Het UWV is daarmee onrechtmatig jegens verzoekster, die gedurende de loonsanctieperiode haar betalingsverplichtingen jegens de werknemer heeft moeten voortzetten.
De Raad heeft het onderzoek gesloten zonder nadere zitting, na schriftelijke uitwisseling van standpunten en onderbouwing van de schadeposten, waaronder een transitievergoeding. De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de schade en de wettelijke rente vanaf de datum van het herroepen besluit, alsmede tot betaling van de proceskosten van verzoekster.