ECLI:NL:CRVB:2021:1066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beperking terugwerkende kracht kinderbijslag op grond van artikel 14 AKW
Appellante, met Surinaamse nationaliteit en verblijvend in Nederland sinds 2014, verzocht kinderbijslag vanaf haar aankomst. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende kinderbijslag toe vanaf het vierde kwartaal van 2016, conform artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), dat dwingendrechtelijk is en terugwerkende kracht beperkt tot één jaar voorafgaand aan de aanvraag.
De rechtbank had het beroep van appellante tegen deze beperking ongegrond verklaard, stellende dat zij eerder een aanvraag had kunnen doen en dat de wettelijke bepaling niet buiten toepassing kon worden gelaten, ook niet op grond van Unierecht of het EVRM. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij sinds haar aankomst recht had op kinderbijslag en dat de wettelijke beperking onredelijk was, strijdig met het EVRM en het Unierecht.
De Raad oordeelde dat de wettelijke bepaling dwingendrechtelijk is en dat de aanvraag pas in oktober 2017 werd ingediend, waardoor terugwerkende kracht vóór het vierde kwartaal van 2016 niet mogelijk is. Er was geen sprake van een situatie waarin artikel 14, derde lid, buiten toepassing moest worden gelaten. Ook was er geen schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM of artikel 13 EVRM Pro, omdat appellante geen legitieme verwachting had op kinderbijslag voor de periode vóór haar aanvraag.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat kinderbijslag niet met terugwerkende kracht vóór het vierde kwartaal van 2016 kan worden toegekend.