Appellante, laatstelijk werkzaam als inpakmedewerkster, meldde zich ziek met fibromyalgie en kreeg een WGA-uitkering toegekend. Na een herbeoordeling stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing.
De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld. De Raad volgde het standpunt van het UWV dat geen verdere urenbeperking nodig was en dat de geselecteerde functies medisch passend waren. Het verzoek om benoeming van een deskundige werd afgewezen.
Verder werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn deels gehonoreerd. De Raad erkende dat de coronacrisis een uitzonderlijke situatie vormde die een langere termijn rechtvaardigde, maar constateerde een overschrijding van ruim drie maanden in de bestuursrechterlijke fase. De Staat werd veroordeeld tot een schadevergoeding van €500 en proceskosten van €267, terwijl het verzoek om wettelijke rente tegen het UWV werd afgewezen.