Appellante, die sinds 2004 arbeidsongeschikt is door polio en andere klachten, kreeg aanvankelijk een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2014 en een daaropvolgende herbeoordeling, stelde het UWV haar arbeidsongeschiktheid op 29,86%, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Gezien het verschil van inzicht tussen haar revalidatiearts en de verzekeringsartsen van het UWV werd een deskundige benoemd. Deze concludeerde dat de beperkingen van appellante deels onderschat waren, wat leidde tot een aangepaste beoordeling van de arbeidsongeschiktheid op 66,08%.
Het UWV wijzigde daarop het besluit en zette de uitkering om in een WGA-vervolguitkering met ingang van 6 maart 2017, later aangepast naar 1 april 2017. De Raad oordeelde dat deze wijziging terecht was, mede gezien de vaste rechtspraak over uitlooptermijnen en de selectie van vervangende voorbeeldfuncties binnen dezelfde SBC-codes.
Daarnaast werd een verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn gehonoreerd. De procedure duurde vijf jaar en één maand, wat een overschrijding van 13 maanden betekent. De Staat werd veroordeeld tot een vergoeding van €1.500,-. Verder werden het UWV en de Staat veroordeeld in de proceskosten van appellante.