ECLI:NL:CRVB:2021:1122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan, maar het UWV stelde vast dat zij op 20 maart 2016 minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en door de rechtbank Rotterdam ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante vanwege haar geboortejaar onder de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) valt en dat de beoordeling van haar aanvraag op 20 maart 2016 terecht is gesteld als te beoordelen datum vanwege de zeer laattijdige aanvraag.
Appellante voerde aan dat haar fysieke klachten onvoldoende waren meegewogen en dat haar beperkingen groter zijn dan vastgesteld, maar zij bracht deze niet met medische stukken onderbouwd. De Raad constateert dat de verzekeringsartsen alleen psychische klachten konden meenemen omdat appellante andere klachten niet had gemeld. De vrijstelling van school wegens ziekte betekent niet automatisch volledige arbeidsongeschiktheid en is bovendien ver voor de beoordelingsdatum.
De Raad concludeert dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat de arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op minder dan 25%. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen Wajong-uitkering krijgt omdat zij op de beoordelingsdatum minder dan 25% arbeidsongeschikt was.