Uitspraak
19.698 WIA, 19/915 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.335,-;
- bepaalt dat van het Uwv een griffierecht wordt geheven van € 541,-.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene nam per 1 juli 2016 een onderneming over die eigenrisicodrager was voor de WIA en droeg het risico van een WGA-uitkering van een ex-werknemer. Het UWV verhaalde een bedrag van €1.393,13 op betrokkene wegens deze uitkering, wat betrokkene betwistte. De rechtbank vernietigde het verhaalbesluit en oordeelde dat de Wet WIA geen bevoegdheid aan het UWV geeft om te verhalen op een omslaglid dat geen eigenrisicodrager is.
Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat artikel 84, derde lid, Wet WIA een verhaalbevoegdheid geeft. De Centrale Raad overwoog dat betrokkene geen eigenrisicodrager is, noch dat de wet een expliciete bevoegdheid tot verhaal op omslagleden bevat. De Raad verwierp de grammaticale, wetssystematische en teleologische uitleg van het UWV en benadrukte dat een belastende beschikking een duidelijke wettelijke grondslag vereist.
De Raad wees ook op de wettelijke regeling van garanties door eigenrisicodragers en de wetsgeschiedenis, die geen aanwijzingen geeft voor een verhaalbevoegdheid op omslagleden. De toevoeging in de Verzamelwet SZW 2020 verandert hier niets aan voor de situatie van het bestreden besluit. De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep van het UWV af.
Tot slot werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en werd een griffierecht opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 11 mei 2021.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV niet bevoegd is om te verhalen op een overnemend omslaglid dat geen eigenrisicodrager is en wijst het hoger beroep van het UWV af.