ECLI:NL:CRVB:2021:1125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken jonggehandicaptenstatus op 18-jarige leeftijd
Appellant heeft een Wajong-uitkering aangevraagd op grond van arbeidsongeschiktheid die volgens hem reeds op zijn achttiende jaar bestond. Het UWV heeft de aanvraag afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor jonggehandicaptenstatus, met name omdat hij op zijn achttiende nog over arbeidsvermogen beschikte.
Na diverse medische en arbeidsdeskundige onderzoeken, waaronder een psychodiagnostisch verslag en WAIS-IV-NL test, concludeerden de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen dat appellant beperkingen had maar toch in staat was eenvoudige, enkelvoudige taken te verrichten. De ernst van de intellectuele stoornis kon niet worden vastgesteld en er waren geen nieuwe medische gegevens die een ander oordeel rechtvaardigden.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad benadrukte dat bij een laattijdige aanvraag de bewijslast voor het aantonen van arbeidsongeschiktheid op het tijdstip van de achttiende verjaardag bij appellant ligt. Het ontbreken van voldoende medische gegevens leidt ertoe dat beperkingen alleen kunnen worden aangenomen als deze voldoende onderbouwd zijn.
Uiteindelijk oordeelde de Raad dat appellant op zijn achttiende jaar niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt en dat het UWV terecht de Wajong-uitkering heeft geweigerd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen Wajong-uitkering toekomt omdat hij op zijn achttiende niet als jonggehandicapte kan worden aangemerkt.