Uitspraak
18 4319 PW, 18/4320 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Boete
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand sinds 2011 en had vanaf 1 maart 2016 tot 21 februari 2017 een hennepkwekerij in zijn woning zonder dit te melden. Na ontmanteling door de politie startte het dagelijks bestuur een onderzoek en besloot de bijstand over die periode in te trekken en de kosten terug te vorderen. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door zijn psychische gesteldheid niet wist dat hij de kwekerij moest melden en dat criminelen misbruik maakten van zijn kwetsbaarheid. De Raad oordeelde dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij melding moest maken, ook als hij niet direct betrokken was bij de kwekerij.
De Raad stelde vast dat de inlichtingenverplichting een objectieve verplichting is en dat verwijtbaarheid geen rol speelt bij het vaststellen van de schending. Wel is verwijtbaarheid vereist voor het opleggen van een boete, en die werd geacht aanwezig te zijn gezien de omstandigheden en het feit dat appellant wist dat de kwekerij niet was toegestaan.
De opgelegde boete van € 591,90 werd als evenredig beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en de oplegging van een boete wegens het niet melden van een hennepkwekerij.