ECLI:NL:CRVB:2021:115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-verzekering AOW voor werkzaamheden bij volkenrechtelijke organisatie
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin zij niet als verzekerd werd beschouwd voor de AOW over de periode van 16 maart 1999 tot en met 13 augustus 2017. De Svb stelde dat appellante in die periode werkzaam was bij een volkenrechtelijke organisatie en dat de vrijstelling van de sociale verzekeringsplicht op haar van toepassing was.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de ICTY-Zetelovereenkomst, een volkenrechtelijke regeling, een ieder verbindende bepaling is die nationale sociale zekerheidswetgeving uitsluit. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de uitzondering in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (BUB) aanvullend zou zijn op de ICTY-Zetelovereenkomst en dat zij daarom wel verzekerd zou zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de ICTY-Zetelovereenkomst inderdaad een ieder verbindende bepaling is die uitsluiting van sociale verzekeringen inhoudt, zonder uitzondering voor officials zelf. De stelling van appellante werd verworpen. Ook haar argument over ongelijke behandeling op fiscaal gebied werd niet gevolgd. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellante terecht niet verzekerd was voor de AOW in de betwiste periode.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet verzekerd was voor de AOW in de periode 1999-2017 vanwege haar werkzaamheden bij een volkenrechtelijke organisatie.