ECLI:NL:CRVB:2018:2593
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering
Appellant was aanvankelijk gedeeltelijk arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. Na diverse besluiten van het UWV werd zijn arbeidsongeschiktheid per 8 december 2014 vastgesteld op 33,29%, waardoor hij geen recht meer had op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Appellant maakte bezwaar en kreeg gedeeltelijk gelijk met een vaststelling van 36,63% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Tijdens het hoger beroep stelde het UWV een nieuw besluit vast per 11 mei 2016, waarbij appellant met ingang van 8 april 2016 weer recht had op een WGA-uitkering van 100%, waardoor het procesbelang voor de eerdere periode verviel. Appellant bevestigde dat hij geen belang meer had bij de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid per 8 december 2014, maar verzocht wel om vergoeding van proceskosten.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van procesbelang. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten, inclusief de kosten van de door appellant ingeschakelde medisch adviseur Rambocus, omdat het redelijk was deze deskundige in te schakelen gezien de medische aard van de kwestie en het belang van de juiste vaststelling van de arbeidsongeschiktheid.
De totale proceskostenvergoeding bedroeg €3.357,36, inclusief griffierecht. Het hoger beroep werd daarmee afgewezen, maar appellant kreeg een volledige kostenvergoeding.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken procesbelang; UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.