ECLI:NL:CRVB:2021:1166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens niet-duurzaam ontbreken arbeidsvermogen
Appellante ontvangt sinds 2013 een Wajong-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van circa 80%. Het UWV heeft in 2017 vastgesteld dat zij arbeidsvermogen heeft, waardoor haar uitkering per 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, mede vanwege een traumatische ervaring in november 2017 die haar arbeidsvermogen tijdelijk zou hebben beperkt.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht en dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was. In hoger beroep betoogt appellante dat haar lichamelijke en psychische klachten progressief zijn en dat zij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Het UWV handhaaft haar standpunt dat er sprake is van een tijdelijke toename van klachten.
De Raad toetst het medisch en arbeidskundig onderzoek en concludeert dat appellante tot het trauma in november 2017 in staat was vier uur per dag te werken. De toename van klachten na het trauma wordt als tijdelijk beoordeeld, met uitzicht op herstel via behandeling en begeleiding. Er is geen sprake van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Daarom is het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam en blijft de verlaging van de uitkering gerechtvaardigd.
Het verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten en schadevergoeding wordt afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% wordt bevestigd omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.