ECLI:NL:CRVB:2021:1169
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatst werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek wegens diverse lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant belastbaar was met beperkingen, maar niet arbeidsongeschikt genoeg voor een uitkering. De arbeidsdeskundige selecteerde passende functies waarop appellant inzetbaar was, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheid van 11,99%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en de belastbaarheid terecht had vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV zijn belastbaarheid overschatte, met name vanwege beperkingen bij buigen, vermoeidheidsklachten en medicatiegebruik. De Raad volgde dit niet, omdat appellant geen medische stukken overlegd had die het oordeel van de verzekeringsarts ter discussie stelden.
De Raad bevestigde dat het opleidingsniveau van appellant terecht op niveau 2 was vastgesteld en dat de geselecteerde functies medisch en arbeidskundig geschikt waren. De verwijzing naar het Diabetes Mellitus-protocol bood geen aanleiding tot twijfel, omdat geen ontregelde diabetes bij appellant was vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.