ECLI:NL:CRVB:2019:479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en onjuiste opleidingsvaststelling
Appellant, werkzaam als allround schoonmaker, kreeg een WGA-uitkering toegekend vanwege arbeidsongeschiktheid van 79,36%. Later beëindigde het UWV deze uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Zowel appellant als zijn werkgever gingen in bezwaar, waarna het UWV het besluit handhaafde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn klachten en beperkingen en dat hij een lager opleidingsniveau heeft dan aangenomen. Hij vroeg om een onafhankelijke medische expertise en voerde aan dat de geselecteerde functies ongeschikt zijn vanwege opleidingseisen. De Raad concludeerde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen aanleiding gaf tot twijfel over de beperkingen. Wel werd vastgesteld dat het UWV ten onrechte aannam dat appellant meerdere jaren vervolgonderwijs had gevolgd, terwijl hij alleen basisonderwijs had afgerond.
De Raad oordeelde dat appellant niet voldoet aan de opleidingseisen van de geselecteerde functies, waardoor het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Daarom draagt de Raad het UWV op het besluit binnen zes weken te herstellen door te beoordelen of er voldoende geschikte functies zijn zonder de vereiste jaren vervolgonderwijs en welke gevolgen dit heeft voor de uitkering.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen door te beoordelen of er geschikte functies zijn zonder de vereiste jaren vervolgonderwijs en de gevolgen daarvan voor de uitkering.