ECLI:NL:CRVB:2021:1205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor functie productiemedewerker industrie
Appellant, voormalig automonteur, meldde zich ziek en ontving aanvankelijk een WIA-uitkering die werd geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na toename van klachten en een Ziektewetuitkering beëindigde het UWV deze per 12 februari 2019, omdat appellant geschikt werd geacht voor diverse functies, waaronder productiemedewerker industrie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door verzekeringsartsen die dossierstudie, anamnese, lichamelijk en psychisch onderzoek verrichtten en alle medische gegevens betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde uitvoerig waarom appellant geschikt is voor de genoemde functie, die geen psychische of zware lichamelijke belasting kent.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten en verwees naar medische rapporten en medicijngebruik, maar bracht geen nieuwe objectieve medische gegevens in. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en verzekeringsarts dat appellant geschikt is voor de functie productiemedewerker industrie en dat het medisch oordeel zorgvuldig en volledig was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij geschikt is voor de functie productiemedewerker industrie.