Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet vanaf februari 2017. In juni 2018 werd bij appellant contant geld van € 29.284,- aangetroffen, waarvan de herkomst onduidelijk bleef. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug, omdat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad vernietigt dit deels. Uit onderzoek blijkt dat appellant in de periode van februari 2017 tot oktober 2018 aanzienlijke contante bedragen contant betaalde, waarvan de herkomst niet aannemelijk is gemaakt. Appellant kon ook de verklaring over het aangetroffen geldbedrag niet overtuigend onderbouwen.
Het college heeft terecht een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht, die na herziening is vastgesteld op € 630,-. Het incidenteel hoger beroep van het college tegen de proceskostenveroordeling wordt afgewezen. De Raad veroordeelt het college in de proceskosten van appellant en bepaalt vergoeding van griffierecht.