Uitspraak
18 2057 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als telecom engineer, vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV weigerde deze uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen, met name door migraine en bijkomende aandoeningen, onderschat waren en stelde een urenbeperking voor. De rechtbank oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep benoemde de Raad onafhankelijke deskundigen, een neuroloog en een psychiater, die bevestigden dat de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 oktober 2020 een deugdelijke medische grondslag vormden. De arbeidsdeskundige concludeerde dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren en de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% bleef. De Raad volgde deze bevindingen en handhaafde het besluit van het UWV.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden met ongeveer 26 maanden, wat leidde tot een schadevergoeding van € 2.500,- aan appellant. De Staat werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: Bevestiging weigering WIA-uitkering en toekenning schadevergoeding van € 2.500,- wegens overschrijding redelijke termijn.