ECLI:NL:CRVB:2021:1260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland
Appellant heeft kinderbijslag aangevraagd voor zijn kinderen over het vierde kwartaal van 2018 en het eerste kwartaal van 2019. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellant op de peildata niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat er onvoldoende aanknopingspunten waren voor een duurzame band met Nederland.
Appellant voerde aan dat hij en zijn gezin ingeschreven stonden in de Basisregistratie Personen (BRP), beschikten over een woning in Nederland en dat hij bezig was zijn bedrijf naar Nederland over te brengen. De Svb stelde dat appellant slechts kort in Nederland verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning vanwege de medische behandeling van zijn partner.
De Raad overwoog dat voor ingezetenschap een duurzame persoonlijke band met Nederland vereist is. Hoewel appellant beschikte over een woning en ingeschreven stond in de BRP, waren deze omstandigheden onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen. De verblijfsvergunning was tijdelijk en bedoeld voor bezoek aan zijn zieke echtgenote. De plannen om het bedrijf te verplaatsen waren niet concreet gemaakt. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank dat appellant op de peildata geen ingezetene was en geen recht had op kinderbijslag.
De uitspraak werd gedaan door T.L. de Vries namens de Centrale Raad van Beroep op 28 mei 2021. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op kinderbijslag omdat hij op de peildata geen ingezetene van Nederland was.