ECLI:NL:CRVB:2021:1290

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 mei 2021
Publicatiedatum
2 juni 2021
Zaaknummer
21/673 WIA-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep WIA-uitkering

Verzoeker is in hoger beroep gegaan tegen een beslissing van het UWV waarin zijn WIA-uitkering per 8 juni 2017 werd geweigerd. Hij verzocht om een voorlopige voorziening omdat hij de huur van zijn woning niet meer kon betalen en dreigde met huisuitzetting. Verzoeker stelde dat hij afhankelijk was van een auto die hij niet kon verkopen, waardoor hij niet in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van de Participatiewet.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld en vastgesteld dat verzoeker sinds juni 2017 zonder financiële ondersteuning van het UWV of de gemeente in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. De aangeleverde stukken van de woningcorporatie en de bank boden onvoldoende bewijs voor een acute financiële noodsituatie of dreigende huisuitzetting.

Het UWV voerde aan dat verzoeker onvoldoende onderbouwing had gegeven voor het spoedeisende belang en dat zijn meerderjarige kinderen zelfstandige inkomsten hebben. De voorzieningenrechter volgde dit standpunt en oordeelde dat het spoedeisende belang niet was aangetoond.

Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan op 25 mei 2021 door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een financieel spoedeisend belang.

Uitspraak

21.673-VV

Datum uitspraak: 25 mei 2021
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
26 juli 2019, 18/183 (aangevallen uitspraak). Dit hoger beroep (hoofdzaak) is bij de Raad bekend onder nummer 19/3657 WIA.
Op 19 februari 2021 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 20 mei 2021. Namens verzoeker is mr. P.W.E. Ros verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een uitvoerig overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2019:6009). Hij volstaat met het volgende.
1.2.
Bij besluit van 14 juni 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat verzoeker per
8 juni 2017 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Bij besluit van 15 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3.1.
Verzoeker heeft aangevoerd dat het spoedeisende belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat hij de huur van zijn woning niet meer kan betalen en de verhuurder te kennen heeft gegeven de huurovereenkomst te zullen ontbinden als de verzoeker de huur niet alsnog voldoet. Verzoeker heeft de huur tot nu toe kunnen betalen door middel van een flexibel krediet bij de bank, maar deze lening is geblokkeerd omdat de voorwaarden zijn aangescherpt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verzoeker stukken van Woningcorporatie Woonstad Rotterdam en van de ABN-AMRO ingebracht. Daarnaast heeft verzoeker gesteld dat hij niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw), omdat hij een auto heeft die een te grote waarde vertegenwoordigt. Omdat verzoeker in verband met zijn lichamelijke beperkingen van deze auto afhankelijk is, kan hij deze niet verkopen.
3.2.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker er niet in is geslaagd om aan te tonen dat hij een actueel spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Behalve een schuld van € 597,03 aan de Woningcorporatie heeft verzoeker geen melding gemaakt van eventuele andere schulden op grond waarvan een acute dreiging zou bestaan voor huisuitzetting dan wel afsluiting van energie en water. In de stukken van Woningcorporatie wordt niet gesproken over de ontbinding van de huurovereenkomst en een financiële noodsituatie is er niet uit af te leiden. Uit de brieven van de bank is alleen op te maken dat het flexibel krediet is geblokkeerd, omdat verzoeker tot tweemaal toe geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van deze bank om het Formulier toetsen belastbaarheid online in te vullen waardoor men zijn financiële situatie niet in kaart heeft kunnen brengen. Verzoeker heeft verder onvoldoende onderbouwd waarom hij niet in aanmerking zou kunnen komen voor een uitkering op grond van de Participatiewet. Hij heeft geen gegevens overgelegd die betrekking hebben op de afwijzing van deze uitkering in verband met de waarde van zijn auto. Daarnaast beschikken de twee inwonende meerderjarige kinderen van verzoeker volgens de bij het Uwv bekende gegevens over zelfstandige inkomsten.
4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraken van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764 en van 21 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4228) is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van zogenoemde kortsluiting de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.
4.3.
Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een financieel spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Van belang is dat verzoeker sinds 8 juni 2017, de datum waarop hem een WIA-uitkering is geweigerd, kennelijk zonder financiële ondersteuning door Uwv of gemeente in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Dat er thans een acute financiële noodsituatie zou zijn ontstaan die door het treffen van de gevraagde voorziening zou kunnen worden opgeheven, is niet gebleken. Het Uwv wordt gevolgd in zijn onder 3.2 weergegeven standpunt dat verzoeker zijn stelling, dat hij wordt bedreigd in zijn huisvesting en levensonderhoud, niet heeft onderbouwd met stukken waaruit dit blijkt. Ook is niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.
4.4.
Gelet op wat hiervoor is overwogen zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.
5. Voor een vergoeding in de proceskosten is geen aanleiding

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2021.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) B.V.K. de Louw