ECLI:NL:CRVB:2021:1290
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep WIA-uitkering
Verzoeker is in hoger beroep gegaan tegen een beslissing van het UWV waarin zijn WIA-uitkering per 8 juni 2017 werd geweigerd. Hij verzocht om een voorlopige voorziening omdat hij de huur van zijn woning niet meer kon betalen en dreigde met huisuitzetting. Verzoeker stelde dat hij afhankelijk was van een auto die hij niet kon verkopen, waardoor hij niet in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van de Participatiewet.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld en vastgesteld dat verzoeker sinds juni 2017 zonder financiële ondersteuning van het UWV of de gemeente in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien. De aangeleverde stukken van de woningcorporatie en de bank boden onvoldoende bewijs voor een acute financiële noodsituatie of dreigende huisuitzetting.
Het UWV voerde aan dat verzoeker onvoldoende onderbouwing had gegeven voor het spoedeisende belang en dat zijn meerderjarige kinderen zelfstandige inkomsten hebben. De voorzieningenrechter volgde dit standpunt en oordeelde dat het spoedeisende belang niet was aangetoond.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan op 25 mei 2021 door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een financieel spoedeisend belang.