ECLI:NL:CRVB:2021:1292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging wijziging eigen bijdrage beschermd wonen Wmo 2015 ondanks beroep appellante
Appellante, met een Wajonguitkering en woonachtig in een instelling, betaalde een hoge eigen bijdrage voor beschermd wonen. Het CAK heeft deze eigen bijdrage voor de periode 1 januari tot 28 februari 2018 in haar voordeel gewijzigd vastgesteld op het wettelijk minimumbedrag van €161,80 per maand. Appellante stelde dat deze vaststelling onredelijk was en dat sprake zou zijn van cumulatie van naheffingen, wat volgens haar strijdig is met het anticumulatiebeginsel.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en verwees naar vaste rechtspraak dat de regeling voor eigen bijdragen imperatief en limitatief is, zonder ruimte voor matiging of toepassing van het evenredigheidsbeginsel. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en verwees zij naar de Toeslagenaffaire als argument voor toetsing aan redelijkheid.
De Raad oordeelde dat het CAK de eigen bijdrage correct heeft vastgesteld volgens de dwingendrechtelijke bepalingen in het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Er is geen sprake van een uitzonderingssituatie die toepassing van het ongeschreven recht vereist. Het betoog van cumulatie van naheffingen is feitelijk onjuist omdat de besluiten juist tot verlaging van de financiële verplichtingen leidden. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de wijziging van de eigen bijdrage door het CAK en wijst het hoger beroep af.