ECLI:NL:CRVB:2021:1298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing IVA-uitkering wegens ontbreken duurzame arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als bouwopruimer/sloper, meldde zich ziek in november 2015 en vroeg in augustus 2017 een WIA-uitkering aan vanwege ernstige eczeem, psychische problemen en luchtwegklachten. Het UWV stelde op basis van medische rapporten en een functionele mogelijkhedenlijst vast dat appellant 80 tot 100% arbeidsongeschikt was en kende een loongerelateerde WIA-uitkering toe.
Appellant maakte bezwaar en vorderde een IVA-uitkering, stellende dat zijn situatie duurzaam volledig arbeidsongeschikt was. Na medisch onderzoek en dossieronderzoek concludeerde de verzekeringsarts dat er een redelijke verwachting was op verbetering binnen het eerstvolgende jaar, mede door mogelijke behandelingen zoals lichttherapie en behandeling van psychische klachten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de beoordeling moet plaatsvinden op basis van de medische situatie en prognose op de datum in geding. Het feit dat achteraf geen verbetering optrad, betekent niet dat de oorspronkelijke inschatting onjuist was.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over de chronische aard van zijn aandoening en het ontbreken van effectieve behandelingen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV, dat de inschatting van herstelkansen op de datum van beoordeling de maatstaf is, en bevestigde het bestreden besluit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de loongerelateerde WIA-uitkering blijft van kracht.