Uitspraak
9 april 2019, 18/2723 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1979, heeft sinds 1997 een Wajong-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. Na een herkeuring per 30 augustus 2016 en een besluit van het UWV om de uitkering te beëindigen, volgden bezwaar en beroep. In deze procedures werden verschillende functies beoordeeld op geschiktheid voor appellant, waarbij de functie besteller post/pakketten (auto) en administratief ondersteunend medewerker als passend werden aangemerkt.
In hoger beroep heeft appellant een nieuw rapport van verzekeringsarts De Vries overgelegd, waarin werd gesteld dat de beperkingen waren onderschat en dat genoemde functies niet passend zijn. De Raad concludeert dat de FML van De Vries grotendeels overeenkomt met die van januari 2018 en dat er geen aanwijzingen zijn dat de beperkingen onvoldoende zijn meegenomen. Wel oordeelt de Raad dat de functie besteller post/pakketten (auto) vanwege de belasting door trappenlopen en tillen niet passend is.
Door het vervallen van deze functie zijn onvoldoende functies over om het arbeidsongeschiktheidspercentage te dragen. De Raad vernietigt het bestreden besluit en stelt het arbeidsongeschiktheidspercentage per 30 augustus 2016 vast op 100%. De Raad kent appellant een Wajong-uitkering toe met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en veroordeelt het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: Arbeidsongeschiktheid per 30 augustus 2016 vastgesteld op 100% en Wajong-uitkering toegekend.