ECLI:NL:CRVB:2021:1320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-besluit arbeidsongeschiktheid en functiebeschikbaarheid appellant
Appellant maakte bezwaar tegen het UWV-besluit van 28 juni 2018 waarin zijn WGA-loonaanvullingsuitkering werd beëindigd en een WGA-vervolguitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80%. Na medisch en arbeidskundig onderzoek werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 69,43%.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het medisch oordeel en de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende waren gemotiveerd. Appellant voerde onder meer aan dat hij vanwege medicatiegebruik, alcoholproblemen en een strafrechtelijk verleden niet geschikt zou zijn voor bepaalde functies, waaronder assistent consultatiebureau.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. Er was geen aanleiding om het medisch oordeel te betwijfelen, noch om aan te nemen dat appellant de functies niet kon vervullen. Het rapport van Veilig Thuis en de stellingen over alcoholgebruik boden onvoldoende grond om het oordeel te wijzigen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.