Betrokkene, een jeugdige met ADHD en PDD-NOS, ontving eerder jeugdhulp via een persoonsgebonden budget (pgb) waarbij zijn moeder een deel van de zorg leverde. Het college weigerde voortzetting van het pgb voor hulp door de moeder, stellende dat de eigen mogelijkheden en financiële draagkracht van het gezin toereikend zijn.
De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de financiële situatie en de zorgbehoefte, en vernietigde het besluit. Het college voerde in hoger beroep aan dat de moeder de zorg kan bieden en het gezin voldoende draagkracht heeft, maar de Raad verwierp dit standpunt op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet, dat geen ruimte biedt voor beoordeling van financiële draagkracht bij zelfverlenen van jeugdhulp.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het college binnen zes weken een nieuwe beslissing moet nemen over de aard en omvang van de benodigde hulp bovenop de reeds toegekende jeugdhulp van 8 uur per week, inclusief de vraag of een pgb kan worden verstrekt. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.