ECLI:NL:CRVB:2021:1330
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens beschikking over en/of-rekening en falen beroep op rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel
Appellant ontving sinds 2012 bijstand op grond van de Participatiewet, maar deze werd ingetrokken in 2018 wegens het niet verschijnen op gesprekken. Na een nieuwe aanvraag in september 2018 stelde het college vast dat appellant beschikte over een en/of-rekening met zijn moeder waarop meerdere contante stortingen waren gedaan die het inkomen boven de bijstandsnorm brachten. Daarom werd de aanvraag afgewezen.
Appellant voerde aan dat het college onzorgvuldig handelde en in strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, omdat het eerder geen probleem maakte van de en/of-rekening tijdens de bijstandperiode. De Raad oordeelde dat het intrekkingsbesluit en afwijzingsbesluit los van elkaar staan en dat eerdere onjuiste beoordelingen geen blijvende rechtsgeldigheid hebben.
De Raad stelde vast dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het college toezeggingen had gedaan waaruit een gerechtvaardigde verwachting kon worden afgeleid. Ook het verzoek tot voorlopige bijstand onder voorwaarde werd afgewezen omdat appellant in de relevante periode voldoende middelen had. Het beroep op schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellant wordt afgewezen vanwege beschikking over een en/of-rekening met stortingen boven de bijstandsnorm en het falen van het beroep op rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.