Appellant was ambtenaar bij de gemeente Amsterdam en kreeg in 2014 toestemming voor nevenwerkzaamheden als zwemleraar onder voorwaarden. In 2017 trok het college deze toestemming in vanwege het ontbreken van openheid over de nevenwerkzaamheden en het risico op belangenverstrengeling en concurrentie.
De rechtbank vernietigde de intrekking omdat appellant tijdens bezwaar alsnog informatie had verstrekt, maar handhaafde het strafontslag wegens plichtsverzuim. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college terecht de toestemming introk omdat appellant weigerde openheid te geven, waardoor een onaanvaardbaar risico op belangenverstrengeling en concurrentie ontstond.
De Raad bevestigt het strafontslag omdat appellant ondanks de intrekking zijn nevenwerkzaamheden voortzette en onvoldoende transparant was. De opgelegde straf wordt als evenredig beschouwd gezien het plichtsverzuim en de herhaalde weigering tot communicatie. Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van het college toegewezen.