ECLI:NL:CRVB:2021:1383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand na huwelijk wegens geen zelfstandig subject meer
Appellante ontving sinds 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Na haar huwelijk in juli 2018 en de inschrijving van haar echtgenoot op haar adres in januari 2019, blokkeerde het college de bijstand en trok deze per 28 januari 2019 in. Appellante en haar echtgenoot dienden later een aanvraag in voor bijstand naar de norm voor gehuwden, maar trokken deze weer in.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het college onzorgvuldig had gehandeld door haar niet vooraf te informeren of te horen en dat het college ten onrechte geen onderzoek had gedaan naar het inkomen en vermogen van haar echtgenoot. Ook stelde zij dat de bijstand had moeten worden afgestemd.
De Raad oordeelde dat appellante geen zelfstandig subject van bijstand was in de periode van 28 januari tot 26 februari 2019 en dat zij redelijkerwijs had kunnen weten dat zij geen recht had op bijstand als alleenstaande. Het college had haar tijdig geïnformeerd en geadviseerd een gezamenlijke aanvraag in te dienen. Het niet doorzetten van de aanvraag ontnam het college de mogelijkheid tot onderzoek. Artikel 18 PW Pro biedt geen mogelijkheid tot afstemming in deze situatie. Het beroep op artikel 16 PW Pro faalde eveneens.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand omdat appellante geen zelfstandig subject meer was na haar huwelijk.