ECLI:NL:CRVB:2021:1385

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juni 2021
Publicatiedatum
11 juni 2021
Zaaknummer
19/953 WAO-W2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 AwbArt. 8:18 AwbArt. 2 lid 2 Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013Art. 3 lid 2 onder d Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking van rechters in hoger beroep niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht

Verzoeker heeft in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam een verzoek tot wraking van de behandelend rechter ingediend, dat reeds eerder door de wrakingskamer was afgewezen. Vervolgens heeft verzoeker opnieuw een wrakingsverzoek ingediend, gericht op de wrakingskamer zelf.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat artikel 8:15 Awb Pro alleen wraking van individuele rechters toestaat en niet van de Raad als geheel. Omdat verzoeker met zijn e-mail van 14 april 2021 alle rechters van de wrakingskamer wilde wraken, is het verzoek niet als wrakingsverzoek aan te merken. Tevens oordeelt de Raad dat verzoeker misbruik maakt van het recht om wrakingsverzoeken in te dienen.

Daarom wordt het wrakingsverzoek niet in behandeling genomen en wordt bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker in dit hoger beroep niet in behandeling worden genomen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om wraking van de wrakingskamer en de behandelend rechter wordt niet in behandeling genomen en toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker worden uitgesloten.

Uitspraak

19/953 WAO-W2
Datum uitspraak: 4 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats], (Duitsland) (verzoeker)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 januari 2019, 18/5226, in het geding tussen verzoeker en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 7 oktober 2020, met
mr. E.W. Akkerman als behandelend rechter.
Bij e-mail van 9 oktober 2020 heeft verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van de behandelend rechter. Bij e-mail van 9 november 2020 heeft verzoeker zijn verzoek nader toegelicht.
De wrakingskamer van de Raad heeft het verzoek bij beslissing van 13 januari 2021 afgewezen.
Verzoeker heeft bij e-mail van 14 april 2021 opnieuw een verzoek tot wraking van de behandelend rechter ingediend en verzocht om wraking van de wrakingskamer.

OVERWEGINGEN

Het verzoek tot wraking van de wrakingskamer
1. Artikel 8:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Uitgangspunt is dat een gewraakte rechter in het algemeen geen recht mag spreken in – kort gezegd – zijn eigen (wrakings)zaak. Op dat uitgangspunt steunt artikel 8:18, eerste lid, van de Awb, dat bepaalt dat een verzoek om wraking wordt behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter wiens wraking is verzocht, geen zitting heeft.
3. Een redelijke wetsuitleg brengt echter mee dat als sprake is van een opeenstapeling van wrakingsverzoeken, de wrakingskamer, in geval van evident misbruik van recht, het verzoek om wraking buiten behandeling kan laten zonder dat de zaak in handen van een andere wrakingskamer wordt gesteld. Artikel 8:18, eerste lid, van de Awb staat daaraan niet in de weg. Dat voorschrift is alleen van toepassing indien sprake is van een verzoek dat kan worden aangemerkt als een wrakingsverzoek in de zin van artikel 8:15 van Pro de Awb (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770, r.o. 4.7, de beslissing van de Raad van 19 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3747, r.o. 2, en die van de Raad van 16 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:684, r.o. 3).
4. Verzoeker verzoekt in de e-mail van 14 april 2021 bij voorbaat om wraking van de wrakingskamer. In het verzoek wordt betoogd dat behandeling van een wrakingsverzoek door directe collega’s die zitting hebben in de wrakingskamer, de schijn van vooringenomenheid wekt. Om de schijn van vooringenomenheid te vermijden, stelt verzoeker dat de wrakingskamer dient te bestaan uit leden van een ander rechterlijk college.
5. Uit artikel 8:15 en Pro volgende van de Awb, in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 volgt dat de wrakingskamer een meervoudige kamer van Raad is.
6. Uit de bewoordingen van de e-mail van 14 april 2021 volgt dat verzoeker heeft beoogd alle rechters van de Raad die deelnemen aan de wrakingskamer van de Raad te wraken. Het verzoek is daarmee gericht tegen de Raad als zodanig. Artikel 8:15 van Pro de Awb biedt geen mogelijkheid om de Raad als zodanig te wraken, zodat dit verzoek niet valt aan te merken als wrakingsverzoek. Uit de uiteengezette gang van zaken en de motivering van het verzoek volgt ook dat verzoeker met zijn verzoek om wraking van de wrakingskamer misbruik van recht maakt. Dit betekent dat de wrakingskamer, zonder het verzoek voor te leggen aan een andere wrakingskamer, beslist dat het verzoek om wraking van de wrakingskamer niet in behandeling wordt genomen.
Het verzoek om wraking van de behandelend rechter
7. Artikel 8:16, vierde lid, van de Awb bepaalt dat een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter niet in behandeling wordt genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. De wrakingsgrond die verzoeker naar voren heeft gebracht in zijn e-mail van 14 april 2021, is een herhaling van hetgeen hij eerder bij e-mail van 9 november 2020 heeft aangevoerd, en op die grond heeft de wrakingskamer in de beslissing van 13 januari 2021 beslist. Nu in het verzoek om wraking geen nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd, beslist de wrakingskamer met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, onder d, van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges 2013, en dus zonder daartoe een zitting te houden, dat het verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen.
8. Artikel 8:18, vierde lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter in geval van misbruik kan bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen.
9. Uit de aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegde argumenten wordt geconcludeerd dat verzoeker misbruik maakt van de mogelijkheid wrakingsverzoeken in te dienen. Gelet daarop zal een volgend verzoek van verzoeker om wraking in dit hoger beroep niet in behandeling worden genomen.
10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bepaalt dat het verzoek om wraking van de wrakingskamer niet in behandeling wordt genomen;
  • bepaalt dat het verzoek om wraking van E.W. Akkerman niet in behandeling wordt genomen;
  • bepaalt dat een volgend verzoek om wraking van verzoeker in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.P.A. Boersma en
M.A.H. van Dalen-Van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van B.H.B. Verheul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2021.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) B.H.B. Verheul