ECLI:NL:CRVB:2021:1398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering en afwijzing WIA-uitkering wegens niet vervulde wachttijd
Appellante was werkzaam als gastvrouw en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling stelde het UWV vast dat zij niet in haar eigen werk kon functioneren maar nog meer dan 65% van haar loon kon verdienen, waarna de Ziektewetuitkering per 17 juli 2017 werd beëindigd. De aanvraag voor een WIA-uitkering werd afgewezen omdat de wachttijd niet was vervuld.
Appellante betwistte de medische beoordeling, met name over de aandacht voor haar depressieve klachten, artrose en pijnklachten. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het UWV terecht de uitkeringen had beëindigd en geweigerd.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat de verzekeringsartsen voldoende rekening hadden gehouden met de klachten en dat er geen nieuwe medische informatie was die tot een ander oordeel zou leiden. Ook het verzoek om een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.
De Raad bevestigde dat appellante per 17 juli 2017 en 27 december 2017 geen recht had op Ziektewetuitkering en dat de wachttijd voor de WIA-uitkering niet was vervuld, waardoor deze terecht was afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd en de WIA-uitkering terecht afgewezen wegens niet vervulde wachttijd.