ECLI:NL:CRVB:2021:1402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzonder geval voor vervroegde toekenning Wajong-uitkering afgewezen
Appellant heeft in 2018 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 2017. Het UWV kende hem een uitkering toe vanaf één jaar voor de aanvraag, maar wees een eerdere ingangsdatum af omdat geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, Wajong.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant al sinds zijn achttiende arbeidsongeschikt was en in 2011 met hulp van zijn zus al een WIA-uitkering had aangevraagd. Dit duidt op het besef van zijn arbeidsbeperkingen en ontkracht het bestaan van een bijzonder geval dat een latere aanvraag zou rechtvaardigen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij 27 jaar niet in staat was een Wajong-uitkering aan te vragen en dat hij financieel nadeel ondervindt. De Centrale Raad van Beroep volgt echter de rechtbank en oordeelt dat er geen bijzondere (medische) omstandigheden zijn die de late aanvraag rechtvaardigen. De Raad benadrukt dat appellant al in 2011 inzicht had in de ernst van zijn aandoening en dat het UWV hem toen ook op een mogelijke Wajong-uitkering heeft gewezen.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het beroep van appellant af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de uitkering gaat in vanaf maximaal één jaar voor de aanvraagdatum.