ECLI:NL:CRVB:2021:1408
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering te veel betaalde Wajong-uitkering ondanks arbeidsinkomsten
Appellante ontving sinds 2006 een Wajong-uitkering en werkte van 1 november 2013 tot 31 oktober 2014, waarbij zij salaris ontving. Het UWV stelde vast dat de Wajong-uitkering over deze periode te hoog was uitbetaald vanwege haar arbeidsinkomsten en vorderde het bedrag van €14.546,06 bruto terug.
Appellante voerde aan dat het voor haar niet duidelijk was dat zij een te hoog bedrag ontving, mede door onduidelijkheid over haar dienstverband en dat het UWV ten onrechte het bruto bedrag terugvorderde. Tevens stelde zij dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege haar financiële situatie.
De Raad oordeelde dat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij een te hoge uitkering ontving, zeker omdat zij haar inkomsten aan het UWV had doorgegeven. De financiële situatie van appellante vormde geen dringende reden om van terugvordering af te zien, temeer daar zij het bedrag reeds had terugbetaald. De terugvordering van het bruto bedrag was rechtmatig, omdat de fiscale periode was afgesloten en appellante zelf loonheffing kon terugvragen.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de te veel betaalde Wajong-uitkering bevestigd.