ECLI:NL:CRVB:2021:1426

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2021
Publicatiedatum
15 juni 2021
Zaaknummer
18/4349 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbAlgemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft een Wajong-uitkering aangevraagd vanwege vanaf de geboorte bestaande allergische klachten en psychische problematiek. Het UWV heeft de aanvraag in 2014 afgewezen na medisch en arbeidskundig onderzoek, waarbij werd vastgesteld dat appellant in staat is om functies te vervullen die het minimumloon opleveren. Het bezwaar en beroep werden eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde deze beslissing in 2018, waarbij de medische beperkingen zorgvuldig waren gemotiveerd en rekening werd gehouden met alle klachten, waaronder autisme en persoonlijkheidsstoornissen.

In hoger beroep voerde appellant aan volledig arbeidsongeschikt te zijn en dat het UWV zijn klachten niet volledig had meegewogen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de aangevoerde gronden in hoger beroep een herhaling waren van eerdere bezwaren en dat de rapportages van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige voldoende inzichtelijk en gemotiveerd waren. Ook werd een onjuiste datum van beoordeling gepasseerd omdat appellant hierdoor niet benadeeld was.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant. Hiermee blijft de afwijzing van de Wajong-uitkering in stand, omdat appellant volgens de medische en arbeidskundige beoordeling in staat is om passende arbeid te verrichten.

Uitkomst: De afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

18.4349 WAJONG

Datum uitspraak: 10 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
6 juli 2018, 15/5957 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.M.J.P. Michiels, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019. Appellant is verschenen, vergezeld van [naam moeder] (moeder) en bijgestaan door mr. Michiels. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.
Het onderzoek ter zitting is geschorst. Het Uwv heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 18 maart 2021. Appellant is verschenen, vergezeld van [naam moeder] (moeder) en bijgestaan door mr. D. Dekker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren [geboortedatum] 1978, heeft met een door het Uwv op 5 september 2014 ontvangen formulier in verband met vanaf zijn geboorte bestaande allergische klachten een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Na een verzekeringskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv de aanvraag met een besluit van 2 december 2014 afgewezen. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant op zijn 17e/18e verjaardag beperkt was in zijn functioneren als rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van zijn allergieën, luchtwegproblematiek en huidproblematiek. De verzekeringsarts heeft de beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 31 oktober 2014. De arbeidsdeskundige heeft uiteengezet dat appellant na zijn 17e verjaardag meer dan zes maanden heeft gewerkt, waarmee hij ten minste het minimumloon heeft verdiend en daarom geconcludeerd dat appellant niet aan de voorwaarden van de Wajong voldoet.
1.2.
Met een besluit van 24 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 2 december 2014 gemaakt bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien appellant in verband met zijn psychische problematiek meer beperkt te achten en dit neergelegd in de FML van 6 augustus 2015. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft na functieduiding geconcludeerd dat appellant per datum aanvraag en op zijn 18e verjaardag in staat is om met inachtneming van zijn beperkingen functies te verrichten en daarmee het minimumloon te verdienen, zodat hij niet voor een Wajong-uitkering in aanmerking komt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen. Omdat appellant in 1978 is geboren, leest de rechtbank het bestreden besluit als een weigering van Wajong-uitkering met toepassing van het bepaalde in de met ingang van 1 januari 1998 ingetrokken Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Alle naar voren gebrachte klachten, te weten allergie, depressie, sociale fobie en autisme, zijn op deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de beoordeling. De verzekeringsarts heeft op grond van de uitgebreide medische informatie over de periode 1994-1997 overwogen dat het medisch gezien voorstelbaar is dat appellant op zijn 17/18-jarige leeftijd beperkt was ten gevolge van zijn allergieën, luchtwegproblematiek en huidproblematiek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderkend dat er ernstige psychiatrische klachten zijn en om die reden aanvullend beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen. Daarmee wordt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook voldoende rekening gehouden met het bij appellant geconstateerde autisme en de ontwijkende en afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren aan de eerste FML, geldig per 17e/18e levensjaar, toegevoegd en vermeld dat de tweede FML in aanleg ook al geldig was per einde wachttijd datum 18e verjaardag. De behandeling met EMDR, waar appellant in beroep op heeft gewezen, werpt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen nieuw licht op de al gestelde diagnoses. De rechtbank acht de medische belastbaarheid van appellant in de rapporten van de verzekeringsartsen op overtuigende wijze gemotiveerd en ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid te twijfelen. De rechtbank heeft verder overwogen dat de verzekeringsartsen bij de beoordeling van een onjuiste datum zijn uitgegaan. Beoordeeld had dienen te worden wat de belastbaarheid van appellant was op 5 september 2013, maar de rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat niet aannemelijk is dat appellant door dit gebrek is benadeeld. Gesteld noch gebleken is dat appellant op 5 september 2013 meer beperkt was dan op 6 augustus 2015. Appellant moet op 5 september 2013 in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde medische belastbaarheid zoals verwoord in de FML van 6 augustus 2015. Uitgaande van de juistheid van de FML is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellant de geselecteerde voorbeeldfuncties kan vervullen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten de geschiktheid van deze functies, ook per 5 september 2013, voldoende toegelicht. Omdat bij de beoordeling een onjuiste datum is gehanteerd, heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep en het Uwv opgedragen aan appellant het griffierecht te vergoeden.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant, kort gezegd, aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt is en niet in staat is om gangbare arbeid te verrichten. Appellant is van mening dat het Uwv zijn klachten niet in het geheel heeft gezien, maar stuksgewijs en daarom op onjuiste gronden tot het bestreden besluit is gekomen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Verder heeft het Uwv uiteengezet dat het niet eerder had onderkend dat appellant al in 2006 een aanvraag om een Wajong-uitkering heeft gedaan. Deze aanvraag is door het Uwv met een besluit van 17 augustus 2006 afgewezen en appellant heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend. Het Uwv blijft bij zijn standpunt dat appellant per datum van (een jaar voorafgaand aan) beide door hem gedane aanvragen en op zijn 17e/18e verjaardag in staat is functies te verrichten en daarmee het minimumloon te verdienen, zodat zijn aanvraag om een Wajong-uitkering terecht is afgewezen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn in de kern een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd in haar overwegingen besproken. Het oordeel van de rechtbank daarover en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. De Raad voegt hieraan toe dat met de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 februari 2021 voldoende en inzichtelijk is gemotiveerd dat de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie geen aanleiding geeft tot het aannemen van meer of andere beperkingen. Dat de behandelend psychiater op 24 mei 2017 niet meer over een autismespectrumstoornis spreekt, maar over een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, maakt qua beperkingen weinig verschil. De problemen met eten en de ervaren allergieklachten waren in bezwaar al bekend en de in 2019 geconstateerde verhoogde leverenzymen zouden te maken kunnen hebben met het eetpatroon. Aangezien dit in 2019 speelt, is er geen relevantie voor de beoordeelde data, te weten 5 september 2013,
2 augustus 2005 en het 17e/18e levensjaar. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 17 februari 2021 voldoende en inzichtelijk gemotiveerd dat appellant ook per 2 augustus 2005 functies kon verrichten waarmee hij ten minste het minimumloon kon verdienen.
4.2.
In de enkele omstandigheid dat de rechtbank heeft overwogen het bestreden besluit te lezen als een weigering van Wajong-uitkering met toepassing van het bepaalde in de AAW, terwijl, zoals niet in geschil is, niet de AAW maar de Wajong op appellant van toepassing is, wordt, anders dan appellant heeft bepleit, geen reden gezien de aangevallen uitspraak te vernietigen. Bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant heeft het Uwv namelijk toepassing gegeven aan de Wajong.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden zal worden bevestigd.
5. Het Uwv heeft pas in hoger beroep voldoende gemotiveerd dat appellant ook per 2 augustus 2005 functies kon verrichten waarmee hij ten minste het minimumloon kon verdienen. Dit gebrek zal worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb omdat aannemelijk is dat appellant niet is benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met dezelfde inhoud zijn genomen. In de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.335,- voor verleende rechtsbijstand. Ook wordt bepaald dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.335,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en F.M. Rijnbeek als leden, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2021.
(getekend) W.J.A.M. van Brussel
(getekend) A.L. Abdoellakhan