ECLI:NL:CRVB:2021:1431

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2021
Publicatiedatum
16 juni 2021
Zaaknummer
19/2282 WMO-W
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 AwbWrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges 2013
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op wrakingsverzoek tegen behandelend rechter in hoger beroep WMO-zaken

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen meerdere uitspraken van de rechtbank Gelderland en kort voor de zitting een verzoek tot wraking van de behandelend rechter ingediend, gecombineerd met een verzoek om uitstel vanwege coronarisico's.

De Raad stelt vast dat de brief waarop verzoeker zich beroept geen betrekking heeft op de huidige hoger beroepen en dat het wrakingsverzoek is ingediend zonder eerst de reactie op het uitstelverzoek af te wachten, wat leidt tot evident misbruik van het wrakingsmiddel. Het wrakingsmiddel is niet bedoeld om de behandeling van hoger beroepen op een geplande zittingsdag te verhinderen.

Verder is gebleken dat verzoeker in andere hoger beroepen vergelijkbare wrakingsverzoeken heeft ingediend die eveneens buiten behandeling zijn gesteld wegens misbruik. Daarom wordt het verzoek niet in behandeling genomen en wordt bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker in deze zaken niet in behandeling worden genomen.

Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing is genomen door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep en uitgesproken op 9 juni 2021.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen en toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker worden eveneens niet in behandeling genomen.

Uitspraak

19/2282 WMO-W, 19/2286 t/m 19/2300 WMO-W, 19/4006 WMO-W
Datum beslissing: 9 juni 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 april 2019, nrs. 18/2033, 18/2035, 18/2038, 18/2040, 18/2041, 18/2148, 18/3223, 18/3519, 18/3638, 18/3639, 18/3642, 18/3850, 18/4018, 18/4675, 18/5443 en 18/6634 en tegen de uitspraak van 11 april 2019, nr. 18/2925.
Bij brief van 19 mei 2021 heeft de Raad verzoeker geïnformeerd dat zijn hoger beroepen op 11 juni 2021 ter zitting zullen worden behandeld en is hij opgeroepen daarbij aanwezig te zijn.
Verzoeker heeft bij brief van 7 juni 2021, door de Raad ontvangen op 9 juni 2021, verzocht om wraking van mr. J.P.A. Boersma (behandelend rechter).

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van Pro de Awb is de strekking van het middel van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2.1.
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b. van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges 2013, Stcrt. 2019, 32568, (Wrakingsregeling) bepaalt dat de wrakingskamer, zonder daartoe een zitting te houden, kan beslissen dat een verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen indien het verzoek geen betrekking heeft op een met de behandeling van de zaak belast lid van het college.
2.2.
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wrakingsregeling bepaalt dat de wrakingskamer, zonder daartoe een zitting te houden, kan beslissen dat een verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen indien het verzoek evident blijk geeft van misbruik van het wrakingsmiddel.
3. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking van de behandelend rechter ten grondslag gelegd dat het fysiek deelnemen aan de zitting voor hem niet mogelijk is, in verband met het gevaar voor coronabesmetting. Hij heeft daarom tegelijkertijd met zijn verzoek om wraking om uitstel van de behandeling verzocht. De gewraakte rechter wenst volgens verzoeker zijn leven, rechten en veiligheid in gevaar te brengen, zodat hij zich genoodzaakt ziet een wrakingsverzoek in te dienen. Daarnaast heeft verzoeker erop gewezen dat de behandelend rechter op zijn verzoek bij brief van 28 december 2020 om informatie niet heeft gereageerd, maar dat de behandelend rechter wel op vragen van het CAK heeft gereageerd. Verder zou de behandelend rechter verzoeker verhinderen zijn belangen te verdedigen door een groot aantal zaken tegelijkertijd te behandelen.
4. Voorop wordt gesteld dat de brief van 28 december 2020 geen betrekking heeft op de hier in het geding zijnde hoger beroepen. De brief heeft dus ook geen betrekking op het handelen van de behandelend rechter. Daarnaast heeft verzoeker door kort voor de zitting op voorhand een verzoek om wraking van de behandelend rechter in te dienen, zonder eerst een reactie op zijn bij dezelfde brief ingediende verzoek om uitstel af te wachten, evident blijk gegeven van misbruik van het wrakingsmiddel. Het wrakingsmiddel is niet bedoeld om de behandeling ter zitting van de hoger beroepen op een geplande zittingsdag te verhinderen. Het had op zijn weg gelegen om de reactie van de behandeld rechter op zijn verzoek om uitstel af te wachten en niet direct al een verzoek om wraking in te dienen. Van belang is voorts dat verzoeker in andere hoger beroepen die hij heeft ingesteld een vergelijkbaar wrakingsverzoek heeft ingediend, dat eveneens buiten behandeling is gesteld en waarin ook is vastgesteld dat hij misbruik maakt van de mogelijkheid om wrakingsverzoeken in te dienen. Verwezen wordt naar de beslissing van de Raad van 20 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:114. Het verzoek zal daarom niet in behandeling worden genomen.
5. Gelet op wat onder 4 is overwogen bestaat tevens aanleiding gebruik te maken van de in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om te beslissen dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking in deze hoger beroepen niet in behandeling wordt genomen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- neemt het verzoek om wraking niet in behandeling;
- bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in de hoger beroepen met de registratienummers 19/2282 WMO-W, 19/2286 t/m 19/2300 WMO-W, 19/4006 WMO-W niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door T. Dompeling als voorzitter en E.W. Akkerman en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2021.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) P.W.J. Hospel