ECLI:NL:CRVB:2021:1434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over beëindiging WGA-uitkering wegens onzorgvuldige motivering
Appellante ontving een WGA-uitkering die per 4 oktober 2015 werd beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een melding van verslechtering van haar gezondheid onderzocht het UWV haar opnieuw en weigerde een nieuwe uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en volgde het UWV in de conclusie dat de toegenomen rug- en psychische klachten uit een andere ziekteoorzaak voortvloeien dan waarvoor de eerdere uitkering werd toegekend.
In hoger beroep stelde appellante dat de klachten wel samenhangen met de eerder vastgestelde aandoeningen en dat het voordeel van de twijfel haar toekomt. De Raad overweegt dat het UWV niet overtuigend buiten twijfel heeft gesteld dat de toegenomen beperkingen uit een andere ziekteoorzaak voortkomen. Er is sprake van een samenhang tussen lichamelijke en psychische klachten, waarvoor zij onder behandeling is en medicatie gebruikt.
De Raad oordeelt dat het besluit van het UWV onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende gemotiveerd is, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb. Het UWV wordt opgedragen een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst op te stellen met inachtneming van de toegenomen beperkingen en een arbeidskundige beoordeling te verrichten, waarna een nieuwe beslissing volgt. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot beëindiging van de WGA-uitkering wordt vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering.