ECLI:NL:CRVB:2021:1456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig administratief medewerkster, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35%. De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de medische beoordeling van het UWV voldoende gemotiveerd was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar belastbaarheid onjuist was ingeschat, met name vanwege haar chronische migraine en fibromyalgie, en dat het onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig was.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank. Er was geen objectieve grond om te twijfelen aan de onpartijdigheid van de verzekeringsartsen van het UWV. Appellante had voldoende gelegenheid gehad om haar standpunt met medische gegevens te onderbouwen. De Raad concludeerde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en navolgbaar waren, en dat de door appellante overgelegde informatie onvoldoende aanleiding gaf tot een ander oordeel.
De Raad wees het verzoek af om een onafhankelijke deskundige te benoemen en bevestigde dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellante. De stelling dat deze functies overeenkomen met haar maatmanfunctie, waarvoor zij ongeschikt is, werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.