ECLI:NL:CRVB:2021:1464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding onroerend goed in buitenland
Appellanten ontvingen bijstand van 1987 tot 2011. Het college ontdekte via de Sociale verzekeringsbank dat zij onroerende zaken in Turkije bezaten die niet waren gemeld, waaronder landbouwgrond en een dorpshuis met een totale marktwaarde van circa €50.693.
Het college trok de bijstand over de periode van 1998 tot 2011 in en vorderde €191.449,01 terug wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellanten voerden aan dat het onderzoek van de Sociale verzekeringsbank discriminerend was en dat het bewijs onrechtmatig was verkregen.
De Raad oordeelde dat er geen sprake was van discriminatoir onderzoek en dat het bewijs aan de besluitvorming ten grondslag mocht worden gelegd. Door het ontbreken van gegevens over de waarde van het onroerend goed kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld, waardoor intrekking terecht was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een kostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.